Voorpagina « Het geld van de scheper van Beegden



Er zijn zoveel verhalen en legenden die van vader op zoon, van moeder op dochter, worden doorverteld. Velen zijn in talloze sprookjesboeken vastgelegd en in de Efteling zijn een groot aantal ervan zelfs tot leven gekomen. Maar zelfs met het ruime aanbod van sprookjes in het Sprookjesbos en legenden in de rest van het park, blijven er nog vele mooie verhalen over, die het ook waard zijn om niet vergeten te worden. Op deze pagina een regionaal sprookje uit Limburg: 'Het geld van de scheper van Beegden'.

Het sprookje
Lang geleden leefde er eens een scheper in het heuvelachtige Limburgse land. De heuvels lagen er schitterend bij. De scheper, ook wel schaapherder genoemd, genoot iedere dag van al het natuur van het Maasdal. Het liefst liep hij door de heide van Beegden. Hier liep hij dagelijks met zijn kudde schapen langs plassen en moerassen en op zomerse dagen schuilde hij in de dennenbossen voor de brandende zon. Vanaf de heide was op veel plekken de toren van Beegden goed te zien. Dit herkeningspunt was voor de scheper heel handig, want zo kon hij altijd weer richting het dorp lopen.

Door het harde werken als scheper had hij flink wat dukaten gespaard. Hij bewaarde deze in een oude sok in zijn huisje aan de rand van de Beegderheide. Hoe mooi de omgeving er ook uitzag, de scheper maakte zich wel zorgen. Na zonsondergang was het niet veilig om buiten te zijn. De avond en nacht waren het domein van de Bokkenrijders, die plunderend en brandstichtend de streek onveilig maakten. Vele dorpelingen werden bestolen van hun bezittingen en zagen hun huizen in vlammen opgaan.

Om te voorkomen dat de Bokkenrijders zijn zuur verdiende geld zouden plunderen wilde de scheper de sok met dukaten goed verbergen. Hij deed dit op een plek die alleen hij kende, de heide. Om te voorkomen dat iemand hem zijn geld zou zien verstoppen vertrok de scheper nog voor de zon op kwam naar zijn geliefde heide. Daar verstopte hij zijn geld, in de heide, recht tegenover de kerktoren van Beegden.

Hij had helemaal niemand verteld over deze plek. De baas van de scheper wist ook van de Bokkenrijders en wilde niet dat het geld dat hij aan de scheper had gegeven gestolen zou worden door dit boevenpak. Op een ochtend vroeg de baas aan de scheper waar hij zijn dukaten bewaarde. Toen antwoordde de scheper dat hij het geld in de heide had verstopt, recht tegenover de kerktoren van Beegden.

Dagen later, toen de scheper met zijn schapen over de heide liep, dacht hij weer aan het geld dat hij hier ergens verstopt had. Hij besloot om de volgende ochtend in alle vroegte weer naar de plek te gaan waar hij het geld had verstopt.

Het was mistig toen hij met een kleine schep over de heide liep. Hij liep rechtstreeks naar de plek ‘recht tegenover de kerktoren’. Hij begon te graven maar vond niets. Hij zal zich wel vergist hebben, waarschijnlijk was het op een andere plek ‘tegenover de kerktoren’. Hij liep verder en keek naar de kerktoren, hier moest het zijn. Maar tot zijn teleurstelling vond hij de oude sok met dukaten niet. En toen besefte de scheper dat waar hij ook op de Beegderheide stond hij altijd ‘recht tegenover de kerktoren’ stond en hij zijn geld misschien wel nooit terug zou kunnen vinden, wat hij ook probeerde. De kerktoren heeft hem altijd geholpen zijn weg terug te vinden, maar ditmaal zal zelfs de kerktoren geen uitsluitsel kunnen geven.

En de sok met dukaten ligt nog altijd in de heide te wachten op een eerlijke vinder, ‘recht tegenover de kerktoren’.