Voorpagina « Legende van 'den Hollander'



De Efteling heeft al min of meer aangekondigd dat de in 2006 een nieuwe attractie op de Zonneweide te gaan bouwen, die de naam 'De Vliegende Hollander' zal gaan krijgen. Wie zijn ogen op internet flink de kost geeft, merkt al dat het park enkele namen al heeft vastgelegd. De keuze van de Vliegende Hollander is niet zo vreemd, aangezien de Efteling er steeds meer waarde aan hecht om een verhaal achter een attractie te hebben. Het Volk van Laaf (verzonnen verhaal) en Villa Volta (gebaseerd op de legende van de Bokkerijders) zijn daar goede voorbeelden van. De legende van de Vliegende Hollander vind je hieronder.

De legende van 'De Vliegende Hollander'
Dagenlang stond een hevige storm dwars op de kust en de kapitein van een in de haven liggende pinas wou en zou zijn reis naar Indië beginnen, men hield hem met moeite ervan terug het bevel tot de afreis te geven. Hij vloekte. Hij was een grote, robuuste man, gewend bevelen te geven en te worden gehoorzaamd, gewend zijn eigen gang te gaan en zich daarbij door niets of niemand tegen te laten houden. Hij was een groot schipper, een meester in het bevaren van de zeeën. Het wildste weer schrok hem niet af. De heftigste orkaan was hem liever dan de lauwe stilte der slappe zeilen. Tegenstand kende hij niet op zijn schip. Een ieder vloog op zijn wenken, van den scheepsjongen tot aan den stuurman; hun schipper wist wat hij wou, en wat hij wou deed hij, en zoals hij het wou was het goed. Geen schipper reisde immers zo vlot en met minder ongelukken! Had hij zijn laatste reis naar Java niet in drie maanden en vier dagen gedaan, terwijl een ander tot minstens een half jaar onderweg was? Nu dwarsboomde de wind hem, dagen en dagenlang. Stampvoetend liep hij zijn kajuit op en neer; met boze ogen, het hoofd machtig op de brede schouders, betrad hij herhaaldelijk de campagne, keek naar de lucht en water, snoof de wind, vloekte en balde de vuisten. "Ik vaar morgen uit!" schreeuwde hij tenslotte de stuurman toe. Het leek wel, of hij dezen uitdaagde, maar het was een uitdaging aan God en de wereld. "Het is morgen Eerste Paasdag, schipper!" riep de stuurman terug. "Op deze heilige dag werd nooit uitgevaren." De schipper trok de wenkbrauwen samen, terwijl het vuur van zijn boosheid uit zijn ogen sprong. "Ik zeil, wanneer ik wil!" grauwde hij. "Maar niet op deze dag van Christus", mompelde de stuurman terug. De kapitein verstond hem niet, maar hij begreep hem niettemin tóch wel. "Ik zeil, wanneer ik wil, versta je!!"

De stuurman zweeg en daalde naar het halfdek af. De kapitein stond hem even gramstorig na te kijken. Toen liep hij hem driftig achterna, een heftig woord op de tong, maar bij de trap bedacht hij zich en liep terug naar zijn eerste standplaats. Zijn handen, tot vuisten gebald, lagen op zijn rug, zijn mond was tot een kwaadaardige streep getrokken, zijn gestalte leek korter en breder te worden. De wolken stormden laag over het water op de pinas aan en leken haar samen met de golven wel te willen verslinden. Hij keek er met nijdige minachting naar. Vier dagen lag hij nu reeds te wachten, vier kostbare dagen verloren. Dat was erg, maar het ergste was het nog niet. Het ergste was, dat hij blijkbaar geen baas was. Geen baas over zijn schip, geen baas over de zee, geen baas over zijn eigen doen en laten. Het scheen wel, of de storm hem de zeggenschap over zijn schip ontnomen had; of het was misschien een nog grotere macht, Een, die ook over de stormen had te gebieden? Moest hij daar dan zomaar in berusten? Wát moest hij boven zich dulden, wié?

Met duistere blikken staarde hij over het water. De golven joegen hoog en wild uit het westen aan, de wolken joegen er dreigend boven, de storm gierde door het want, als lachte hij hem uit. Hij dacht aan de waarschuwingen, die men hem de laatste dagen had gegeven. "Je komt de haven niet uit, schipper! Je ligt zo weer tegen de kaai! En áls je de haven al uitkomt, dan ben je toch in tien minuten voor de haaien!" De haven niet uit? In tien minuten voor de haaien? Hij? Hij vloekte binnensmonds. Toen lachte hij grijnzend. Voor den drommel, dát zou hij toch wel eens willen zien! "Ik vaar morgen uit", herhaalde hij grommend de woorden van pas te voren. Hij sliep die nacht vast, als iemand die geen weifeling meer kent, hoewel de storm nog erger dan de vorige nachten te keer ging. Reeds bij het ochtendgrauwen riep hij alle man aan dek. "We varen!" beval hij kort. Hij liet alle zeilen hijsen. Hij zag de vragende blik van den stuurman. "We varen, stuurman!" Lag er nu iets juichend in zijn stem? "We varen, schipper", herhaalde de stuurman zijn woorden. De matrozen klommen joelend de touwen in. Ze gingen varen! Hun schipper was een durver! Hun schipper was een machtig mens! Ze waren trots op hun schipper. Hun trots verdreef een zwak-waarschuwende stem. Toen begonnen de Paasklokken te luiden. Ze zwegen plotseling. "Christus is opgestaan!" De kerk riep. De schipper riep. Zij.... repten hun handen. De kapitein van een nabij liggend fluitschip boog zich over de verschansing van het bovendek. "Vaar je?" riep hij met de wind mee. "Ik vaar!" riep de schipper van de pinas terug. "Hoor je dát niet?" riep weer de ander, terwijl hij wees in de richting, vanwaar het klokgelui kwam. "Ik vaar!" "Zie je dát niet?" De fluitschipper hief waarschuwend de hand naar de storm. "Ik vaar!" "Daar komen ongelukken van, man! Jij ziet de wal niet meer terug!" Hoog en fier rekte zich de schipper van de pinas. Niet meer aan de wal? Hahaha! "Denk jij mij bang te maken? Ik vaar uit! Al zou ik in alle eeuwigheid door moeten varen, ik váár!"

Hij wendde zich af. Hij liet alle zeilen bijzetten, zelfs de blinde steng op de boegspriet kreeg haar zeil. Vreemd stil werden de matrozen. Hoe komen ze ooit de haven uit? De zeilen flapperden en klapperden onheilspellend, laveren konden ze in het korte bestek van de haven niet. Ze hoorden dien vreemden schipper roepen. Wat riep hij toch? Hoor, hun eigen schipper antwoordde. Ik vaar! Een durver, een machtig mens was hun schipper. Hoe trots waren ze op hem. Hoor, de ander riep weer! Hij waarschuwde. Maar hún schipper riep trots iets terug. Zíjn woorden verstonden ze! Hoor! -Al zou ik tot in alle eeuwigheid door moeten varen, ik váár! Ze knoopten haastig de touwen vast; zij, die bij de blinde steng op de boegspriet stonden, hesen het laatste zeiltje. Ze waren vol trots, evenals hun schipper. Toch juichten ze niet. De wind floot door het want, de zeilen klapperden weerbarstig. De Paasklokken luidden. Zwijgend wonden ze de ankers op... Toen wachtten ze op de volgende bevelen van den schipper... Deze stond groot en stil bovenop de campagne. Er kwam geen bevel. Hij bewoog niet, zijn ogen stonden star, het leek wel, of hij dood was. Ze werden zelf ook stil, bewogen niet meer. De storm floot door het want, de klokken luidden, ...de zeilen bolden zich tegen de wind in!

Steeds meer volk snelde naar de kade. Er kwam een grote onrust op de schepen rondom. Hier gebeurde iets, wat geen mens kon begrijpen! De zeilen van de pinas bolden zich tegen de wind in, alsof er door een onzichtbare macht hard tegen de storm in werd geblazen, en dwars tegen de wind in schoot het schip regelrecht op de havenmond af! De schipper bewoog niet. De matrozen bewogen niet. Tenminste uit de verte leek dit zo. Maar dat kon toch niet!! Deed God hier een wonder? De Paasklokken luidden. Toch voer het schip uit. Een dodenreis werd dit! Van mond tot mond gingen de woorden, die de hoogmoedige schipper had geroepen. Deze schipper daagde God uit! Ook over de toeschouwers kwam nu een stilte. Fluisterend spraken zij hun angst uit. Zwaar werd het gelui van de klokken. De storm bulderde. In de verte dreef het schip naar de zee. Ze staarden het na, vol angstige voorgevoelens. Ze zagen, hoe een grote, zwarte vogel rondom de bazaansteng vloog. Ineens sloeg een hevige schrik om hun hart heen.

Scheen de zon op de zeilen? Maar er was geen zon! Was er dan brand op het schip uitgebroken? Maar ze zagen geen rook en geen vlammen! Toch flikkerden de zeilen vuurrood en zwart als de nacht werd de romp van het schip. Voer daar een spookschip over de wateren? Had God het veroordeeld? Een grote verwarring kwam over hen. Sommige vrouwen sloegen angstig de bovenrok over het hoofd heen, om maar niets meer te kunnen zien. Doch velen staarden het schip met kloppend hart na. Het voer ook verder tegen de wind in, de zeilen glimmend als vuur, de romp zwart als de nacht, de ongeluksvogel dwalend om de stengen. Hoog zagen ze het nog eenmaal op een golf, toen verdween het. Huiverend en gebeden prevelend gingen de mensen naar huis. De storm loeide. De klokken luidden. De pinas kwam nooit in Indië aan. Ook keerde ze nooit terug in de haven. Geen bericht bereikte het vaderland, geen bericht voor de reders, geen groet aan de verwanten van de bemanning. Was het schip vergaan? Men vernam nooit, dat er ergens een wrakstuk aanspoelde, geen lijk dreef aan land. Zo verging jaar na jaar. Niemand dacht ooit meer aan de pinas, behalve misschien een enkeling, een moeilijk voor haar brood zwoegende weduwe, een oud moedertje in haar eenzaamheid. In die tijd voeren veel schepen weg, die nooit keerden. Er waren vreemde dingen gebeurd bij de afreis van deze pinas. Geen wonder, als ze was vergaan! Zo hadden de mensen gedacht en nu waren ze het schip vergeten.

Toen gebeurde het na jaar en dag, dat een Oostindiëvaarder om de Kaap de Goede Hoop koerste, op weg naar het vaderland. Hij voerde maar eend enkel zeil, een fikse Oostenwind dreef hem voorwaarts. Plotseling dook aan bakboord een schip uit de laag voortstuwende wolken op. Of kwam het uit de golven tevoorschijn? Een oude matroos ontdekte het eensklaps. Hij gaf een schreeuw van schrik. Hij had al veel beleefd, maar wat hij nu zag deed hem de haren steil staan op zijn hoofd. De zeilen van dat schip waren bloedrood en stonden bol tegen de wind in. De bemanning schoot van alle kanten aan en staarde met grote ogen over de verschansing. Het schip schoot snel voorbij, tegen de wind in! De romp was zwart en de masten waren ook zwart. En geen mens bewoog zich aan dek of in het want. Een blauwachtig licht speelde om de stengen, en in dit licht vloog een grote, zwarte vogel. "Een spookschip!" riep er een. "Haal de schipper toch!" Maar voor de schipper uit zijn kajuit was, verdween het vreemde schip net zo plotseling, als het opgedoken was. De schipper lachte hen uit. "Spoken? Jullie zijn zelf spoken. Aan het werk allemaal, ieder op zijn post, als je niet gekielhaald wilt worden!" En het schip zeilde door. De oude matroos liep nog lang met een starende blik rond. Hij zag het spookschip duidelijk voor zich. Een lage boeg met de Hollandse Leeuw op de scheg, en een blinde steng op de boegspriet, een hoog achterschip met een platte spiegel. De zeilen konden niet gereefd, daar zaten "bonnetten" aan, die er met harde wind werden afgenomen.

"Het was een pinas", mompelde hij. Een pinas had hij in zijn jeugd nog wel eens een heel enkele maal gezien. Het waren vreemde, oude schepen. Maar daaruit is meteen te begrijpen, hoeveel jaren dit reeds was, nadat die opstandige schipper uitvoer. "Het is een Hollandse pinas", mompelde de matroos, en schudde het hoofd. Bloedrode zeilen, zwarte masten! Dat was helemaal vreemd! Dat voorspelde niets goeds! Hij sprak erover met enkele makkers. Die waren het er met hem over eens, dat ze een spookschip hadden gezien en dat er wel eens rare dingen konden gebeuren. De volgende dag dreef een vliegende storm het schip steeds meer naar de wal. Het sloeg daar op de rotsen te pletter. De oude matroos was een van de weinigen, die er het leven afbracht. Later weer thuisgekomen, vertelde hij wat er gebeurd was en wat hij als de schuld van het ongeluk zag. Velen geloofden hem, maar door anderen werd hij uitgelachen, zoals dat gaat in zulke gevallen. Nadien echter bereikten steeds meer berichten over het spookschip het vaderland. Nu eens verscheen het zo plotseling maar vlak in de nabijheid, dan weer zag men het heel in de verte al en naderde het met grote snelheid. Er speelde licht om de masten, ook lagen er overal flauw blauwe lichtplekken over het dek. Het voer tegen de wind in. Het voer soms ook zonder wind met de zeilen gebold, net alsof er een fikse bries stond. De zeilen gloeiend rood, de masten waren zwart. Er was geen levend mens op het dek of in het want te bekennen. Het zeilde snel, maar het wonderlijke was dat het toch niet scheen op te schieten. Want steeds zag men het in de buurt van Kaap de Goede Hoop. Het scheen wel, of het steeds moeite deed om de Indische Oceaan op te lopen, maar dat het door de een of andere macht teruggehouden werd. Een spookschip was het, dat was zeker. Het bezorgde ongelukken aan het schip, dat het ontmoette op zijn weg. Zo'n schip liep kort daarna op de rotsen, of vloog in brand, of er brak ziekte op uit, of de bemanning raakte aan het muiten. Het was een spookschip, dat onheil bracht. De matrozen huiverden, als ze er over spraken, al wilden ze dit natuurlijk niet weten. Ze huiverden, als ze er in de verte maar een glimp van meenden te zien. De mensen in het vaderland huiverden, als ze er de verhalen over hoorden. Een spookschip zonder bemanning doorkliefde de zee en bracht ongeluk aan wie het toevallig voorbij voer!

Later bleek echter, dat het wel degelijk een bemanning had. Eens zeilde er weer een Oostindiëvaarder in de buurt van Kaap de Goede Hoop. Het was een prachtig vaartuig met het Wapen van Batavia op de spiegel en op de scheg het beeld van een Javaanse vrouw. Het voer voor de eerste keer uit, het zou zonde geweest zijn, als het verloren gegaan was. Het was een mooie, heldere dag, toen het op Kaapstad aanvoer. Het liep met een flinke vaart voor de wind. Plotseling naderde met grote snelheid een ander schip. Het dook eensklaps te lij op, vlak in de nabijheid, de baan van de koopvaarder kruisend. Het had een vreemd model: een lage boeg, met een blinde steng op de boegspriet, een hoog achterschip. Hoewel het met zijwind voer, had het geen zeil gebrast, en de zeilen gloeiden, alsof ze in brand stonden. Het voerde de Hollandse vlag. Ze dachten op de koopvaarder, dat het wel oploeven zou, maar het veranderde geen streep van richting. Ze zagen den kapitein op de campagne staan. Die zal wel een bevel geven, dachten ze. Zijn witte haren wapperden in de wind, maar hijzelf bewoog niet. En verder zagen ze niemand aan het dek. Oploeven, voor den drommel! Het was te laat voor de koopvaarder om zelf maatregelen te nemen. Ineens zat die pinas hem dwars voor de boeg. Ze vlogen met een vaart erop! De bemanning gaf een schreeuw van ontzetting. Ze voegen er dwars doorheen! Maar geen schok werd gevoeld, geen gekraak gehoord! De koopvaarder voer ongehinderd verder.

En het spookschip? Ook die pinas voer door! Het leek wel, of er niets gebeurd was, en toch hadden ze haar middendoor gevaren! Met open mond keek de bemanning haar na. Het was, of ze in een blauw licht dreef. Op de campagne stond nog immer onbeweeglijk de kapitein, lang en mager, het witte haar fladderend, het gelaat verschrompeld, bleek en vaal, geen ogen, maar oogholten, zwart, zonder glans, daar had de dood in gebeten. Een dodenkop op een verschraald lichaam! Een magere witte hand scheen aan het boord te zijn vastgegroeid, krom, verkrampt was ze. "Zag je die vogel?" vroeg er een op het laatst. "Die vogel om de steng van de grote mast heen?" "Zag je die doden schipper?" vroeg de ander vol huiver. "En geen mens anders! Geen stuurman, geen matroos!" "Die kerels lagen allemaal op het dek!" zei een derde. "Op het dek?" "Heb je dat niet gezien? Zag je hun koppen niet lichten?" "Ze lagen allemaal op het dek", riep in dit ogenblik de uitkijk uit het kraaiennest. "En ze voerden geen slag uit!" Een ieder zweeg eensklaps weer en tuurde verschrikt over zee. Waar was nu ineens de pinas? Ze verdween, zoals ze kwam. Een dodenschip kliefde de wateren, kwam en ging, waarvandaan, waarheen? "Zag je de vlag?" vroeg een van de matrozen. "Een Hollander?" "Een Hollander, ja!!" "De vliegende Hollander!" ze lachten luid en verduwden zo hun angst. Wat voor een ongeluk zou hun nu wachten? Nog diezelfde dag zette een storm op en de fokkenmast brak als een rietsteeltje af. Doch daarbij bleef het gelukkig. Van de botsing met den vliegende Hollander had het schip zelfs geen enkele averij. Niet de minste beschadiging! Zelfs het schegbeeld, de Javaanse vrouw, vertoonde geen krasje!

Sindsdien kruiste de vliegende Hollander verder over de oceaan. Menig schip zag hem nog. De jaren verstreken. Alle schepen hadden hun tijd van komen en van gaan. Jong en fleurig staken ze voor het eerst in zee, oud en moe vonden ze hun rust in de laatste haven. Zo ging het met de mensen ook. Alleen de vliegende Hollander bleef varen. "Al zal ik varen door alle eeuwigheid, ik váár!" Geen rust kwam er ooit over die pinas. De hovaardige schipper joeg vaartuig en bemanning in het ongeluk. Steeds bollen zich de rode zeilen, steeds buigen de masten onder het geweld van de storm, maar ze breken niet, steeds klieft de oude, vermolmde boeg de wateren van de oceaan in vergeefse pogingen om voorbij Kaap de Goede Hoop te komen. Is er geen hoop voor de rampzaligen op dit schip? Men zegt: eenmaal in de zeven jaren komt er een ogenblik van rust voor de pinas. Dan ligt zij soms plotseling ergens op een rede stil, men hoort het geratel van de ankerkettingen. Even later roept er een holle stem over het water. En als er dan antwoord komt, roept diezelfde holle stem: -Ik breng brieven! Wat later is er dan riemgeplas, een hand verschijnt en reikt de brieven. Spijker die dan dadelijk aan de mast, anders gebeuren er ongelukken! Er staan vreemde adressen op die brieven. Namen van mensen, die al eeuwen geleden gestorven zijn, namen van heel oude straten. Men zegt wel eens, dat de bemanning van den vliegende Hollander niet eens beseft, dat ze reeds eeuwen zwerft. Ze vaart maar, ze vaart. De volgende dag is het schip weer weg. "Ik vaar, al zal ik tot in alle eeuwigheid moeten varen!"

Zal de Vliegende Hollander, die eeuwige zwerver, eens de rust vinden, die elk schip zo behoeft? Misschien.... Zou hij eenmaal de uitdagende hovaardij berouwen, die hem zee deed kiezen tegen de wil der hemelse machten? Misschien.. Zou hij eenmaal de deemoed vinden, die elk mens past? Of -men ontmoet hem tegenwoordig niet meer op de oceaan- heeft hij de rust reeds gevonden?


Tekening: Erwin's Eftelingsite/Seylend Fregat
Bron: Sagenboek zonder naam