Voorpagina « Zevende geschiedenis



Er zijn zoveel verhalen en legenden die van vader op zoon, van moeder op dochter, worden doorverteld. Velen zijn in talloze sprookjesboeken vastgelegd en in de Efteling zijn een groot aantal ervan zelfs tot leven gekomen. Maar zelfs met het ruime aanbod van sprookjes in het Sprookjesbos en legenden in de rest van het park, blijven er nog vele mooie verhalen over, die het ook waard zijn om niet vergeten te worden.

Op deze pagina het sprookje van 'De Sneeuwkoningin', geschreven door Hans Christian Andersen. Hij schreef dit bekende sprookje in 1844. Het verhaal gaat over Gerda en Kay die te maken krijgen met een trol. Het verhaal bestaat uit zeven delen, of zoals het in het sprookje genoemd wordt: 'Een sprookje in zeven geschiedenissen'. Hieronder de zevende geschiedenis.

Zevende geschiedenis - Wat er gebeurde in het paleis van de sneeuwkoningin
De muren van het paleis waren van jachtsneeuw en ramen en deuren van snijdende winden; er waren over de honderd zalen, al naar gelang de sneeuw joeg; de grootste strekten zich vele mijlen uit, alle belicht door het helle noorderlicht en ze waren zo groot, zo leeg, zo ijzig koud en zo schitterend. Nooit was er vrolijkheid, zelfs niet eens een berenbal, waar de storm eens flink kon mee blazen en waar de ijsberen op hun achterpoten lopen en deftig doen; nooit een muziekavondje waar op de mond geslagen en op de poot gekletst werd, nooit een klein koffiepartijtje van de witte vossenjuffertjes; leeg, groot en koud was het in de zalen van de sneeuwkoningin.

Het noorderlicht vlamde zo regelmatig, dat je kon natellen wanneer zij op hun hoogst waren en wanneer op hun laagst. Midden in de lege, eindeloze sneeuwzaal was een bevroren meer, dat was gebarsten in duizend stukken, maar elk stuk was zo precies gelijk aan het andere dat het een kunstwerk was. Daar, in het midden, zat de sneeuwkoningin als zij thuis was en dan zei zij, dat zij op de spiegel van het verstand zat en dat vond ze het enige en beste in deze wereld.

De kleine Kay was helemaal blauw van de kou, ja, bijna zwart, maar hij merkte het toch niet want zij had immers de koude rilling van hem afgekust en zijn hart was zo goed als een ijsklomp. Hij liep te sjouwen met enige scherpe, vlakke ijsblokken, die hij op alle mogelijke wijzen neerlegde, want hij wilde er iets van maken; het was net een legpuzzel. Kay was ook bezig figuren te leggen, de allermoeilijkste, dat was het ijsspel van het verstand. In zijn ogen waren de figuren zeer bijzonder en van het grootste belang, dat kwam van het glaskorreltje in zijn oog. Hij legde hele figuren die tezamen een geschreven woord voorstelden, maar nooit lukte het hem het woord te leggen dat hij eigenlijk wilde, het woord: eeuwigheid.

De sneeuwkoningin had gezegd: "Als je voor mij die figuur kunt vinden, dan zul je je eigen meester zijn en schenk ik je de hele wereld en een paar nieuwe schaatsen." Maar hij kon het niet. "Nu suis ik weg naar de warme landen," zei de sneeuwkoningin, "ik wil eens een kijkje gaan nemen in de zwarte ketels!" (Dat waren de vuurspuwende bergen, de Etna en de Vesuvius.) "Ik zal ze wat witten, dat hoort erbij; dat staat goed bij de citroenen en wijndruiven!" En toen vloog de sneeuwkoningin weg en Kay zat helemaal alleen in de mijlengrote, lege ijszaal en keek naar de ijsbrokken en dacht en dacht, tot het in hem kraakte, helemaal stijf en stil zat hij daar, je zou denken dat hij was doodgevroren.

Toen was het dat de kleine Gerda het paleis binnentrad, door de grote poort van snijdende winden; maar zij zei een avondgebed op en toen ging de wind liggen, alsof hij wilde gaan slapen en zij trad binnen in de grote, lege, koude zalen. Toen zag ze Kay, ze herkende hem, zij vloog hem om de hals, hield hem stevig vast en riep: "Kay! Lieve, kleine Kay! Daar heb ik je eindelijk gevonden!" Maar hij zat daar heel stil en stijf en koud. Toen huilde kleine Gerda hete tranen, die vielen op zijn borst, ze drongen in zijn hart, ze ontdooiden de ijsklomp en verteerden het glassplintertje daarbinnen; en hij keek haar aan en zij zong het gezang: "Rozen groeien in het dal Waar ik Kindeke Jezus treffen zal!"

Toen barstte Kay in tranen uit, hij huilde, zodat het glaskorreltje uit zijn oog spoelde. Hij herkende haar en jubelde: "Gerda! Lieve kleine Gerda! Waar ben je toch zo lang geweest?" En hij keek om zich heen. "Wat is het hier koud! Wat is het hier leeg en groot!" En hij hield zich aan Gerda vast en zij lachte en huilde van vreugde. Het was zo'n blijdschap dat zelfs de ijsbrokken van vreugde in de rondte dansten en toen ze moe werden en gingen liggen vormden ze juist die letters die de sneeuwkoningin hem opgegeven had: nu was hij zijn eigen meester en zij zou hem de hele wereld schenken en een paar nieuwe schaatsen. En Gerda kuste zijn wangen en die kregen weer kleur; zij kuste zijn ogen en die lichtten als de hare, zij kuste zijn handen en voeten en hij werd gezond en flink.

De sneeuwkoningin kon nu gerust thuiskomen: zijn vrijheid stond daar geschreven in glinsterende stukken ijs. Toen namen zij elkaar bij de hand en liepen het grote paleis uit. Zij praatten over grootmoeder en over de rozen boven op het dak. En waar zij liepen ging de wind liggen en brak de zon door. Toen zij bij de struik met de rode bessen kwamen stond het rendier daar te wachten. Het had een tweede jong rendier bij zich die een volle uier had en die gaf de kleintjes haar warme melk en kuste hen op de mond. En toen droegen zij Kay en Gerda eerst naar de Finse vrouw, waar zij zich in de heet gestookte kamer warmden en de weg naar huis leerden; toen naar de Lapse vrouw die nieuwe kleren voor hen had genaaid en haar slee in orde gemaakt. En het oude en het jonge rendier liepen naast de slede en begeleidden hen tot de grens van het land.

Daar liet het eerste groen zich zien, daar namen zij afscheid van het rendier en de Lapse vrouw. "Vaarwel!" zeiden ze allemaal. En de eerste vogeltjes begonnen te kwinkeleren, het bos had groene knoppen en daaruit kwam op een prachtig paard, dat Gerda kende (het was eens voor de gouden koets gespannen) een jong meisje gereden; zij had een vuurrode muts op het hoofd en pistolen bij zich: dat was het kleine roversmeisje dat het thuis niet meer uithield en nu eerst noordwaarts wilde en later een andere kant uit, als het haar daarginds niet beviel.

Zij herkende Gerda dadelijk en Gerda kende haar weer, dat was een vreugde. "Je bent me een mooie om er zo vandoor te gaan!" zei zij tot de kleine Kay. "Ik zou weleens willen weten of jij het verdient, dat ze om jou naar het eind van de wereld loopt!" Maar Gerda streek haar over de wang en vroeg naar de prins en prinses. "Die zijn op reis naar vreemde landen!" zei het roversmeisje. "Maar de kraai?" vroeg kleine Gerda. "Ja de kraai is dood!" antwoordde zij. "Het tamme liefje is nu weduwe en loopt met een eindje zwarte wol om haar poot; zij beklaagt zichzelf jammerlijk en het is allemaal nonsens. Maar zeg mij nu eens hoe het jou is gegaan en hoe je hem te pakken hebt gekregen!." En Gerda en Kay vertelden allebei. "En toen kwam er een olifant met een lange snuit en blies het hele verhaaltje uit!" zei het roversmeisje, ze gaf hen allebei de hand en beloofde dat zij hen zou opzoeken als zij ooit hun kant uitkwam; en toen reed zij de wijde wereld in. Maar Kay en Gerda gingen hand in hand en waar zij liepen werd het voorjaar met bloemen en groen; de kerkklokken luidden en ze herkenden de hoge torens, de grote stad: daar woonden zij.

Zij gingen de stad binnen en naar grootmoeders deur, de trap op, de kamer binnen, waar alles nog op zijn plaats stond, en de klok zei: "tik! tak!" en de wijzer draaide. Maar toen ze de deur binnengingen merkten zij dat zij grote mensen waren geworden. De rozen in de goot bloeiden voor de open ramen en daar stonden de kinderstoeltjes. Kay en Gerda gingen zitten elk op zijn eigen stoeltje en hielden elkaar vast; als een verre droom waren zij de koude lege heerlijkheid bij de sneeuwkoningin vergeten. Grootmoeder zat in Gods heldere zon en las hardop uit de bijbel: "Als gij niet wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan." En Kay en Gerda keken elkaar in de ogen en zij begrepen opeens het oude gezang: "Rozen groeien in het dal Waar ik Kindeke Jezus treffen zal!" Daar zaten de twee volwassenen en toch kinderen, kinderen in hun hart, en het was zomer, de gezegende zomer.