Voorpagina « De doos van Pandora


Er zijn zoveel verhalen en legenden die van vader op zoon, van moeder op dochter, worden doorverteld. Velen zijn in talloze sprookjesboeken vastgelegd en in de Efteling zijn een groot aantal ervan zelfs tot leven gekomen. Maar zelfs met het ruime aanbod van sprookjes in het Sprookjesbos en legenden in de rest van het park, blijven er nog vele mooie verhalen over, die het ook waard zijn om niet vergeten te worden. Op deze pagina de legende van 'De doos van Pandora'. In de Efteling zal je dit sprookje niet tegenkomen. De enige 'link' die Efteling heeft met 'De doos van Pandora' was het gerucht dat het park een attractie zou willen met een transportsysteem genaamd 'Pandora's Box' van Vekoma. Tot op heden is dit systeem nog nergens ter wereld daadwerkelijk gebouwd en het is nog maar de vraag of de Efteling dit ooit zal doen.

Het sprookje
Heel, heel lang gelden, in het oude Griekenland, waren de mensen nooit ongelukkig, nooit ziek en nooit boos op elkaar. Iedereen was rijk. Er was genoeg eten en te drinken en alle mensen droegen prachtige kleren en woonden in mooie huizen. En omdat alle mensen het even goed hadden, waren ze nooit jaloers op elkaar. De vrouwen maakten nooit ruzie met hun man en de mannen nooit met hun vrouw. Ook Pandora en haar man Epimetheus waren heel gelukkig. En onaardig iemand zou misschien zeggen dat Pandora een verwende vrouw was. Maar omdat er geen onaardige mensen waren, werd dat nooit gezegd. Epimetheus vond het heerlijk om zijn vrouw te verwennen. Elke dag nam hij een geschenk voor haar mee. Een jurk, nieuwe schoenen, een sieraad of bloemen. Maar omdat Epimetheus steeds iets andere wilde meebrengen, moest hij steeds verder van huis om wat voor Pandora te zoeken. En dan was Pandora urenlang alleen in huis en verveelde ze zich.

Op een dag kwam Epimetheus thuis met een groot vierkant pak, waar een linnen doek omheen was geknoopt. Hij haalde het doek eraf en Pandora zag een stoffige oude doos met een gouden koord eromheen. "Wat zit er in die doos?" vroeg Pandora "Is die doos voor mij?" "Nee, Pandora," antwoordde Epimetheus. "Mercurius, de god van de kooplieden, heeft me gevraagd deze doos voor hem te bewaren. Ik heb hem moeten beloven dat ik de doos nooit open zal maken. En hij zei dat ik er spijt van zou krijgen als ik het toch zou doen." "O, laat me alsjeblieft kijken. Heel even maar," smeekte Pandora. Maar Epimetheus zei dat het absoluut niet mocht. "Ik wil Mercurius niet boos maken," zei hij streng.

De volgende dag was Pandora weer alleen thuis. Ze kon alleen nog maar aan de doos denken. Ze liep er steeds naartoe en streek met haar vingers over het gouden koord. "En toch wil ik weten wat er in die doos zit," dacht ze. "Ik denk dat Epimetheus een grapje met me wil uithalen. Die doos is vast voor mij. Maar als dat niet zo is... Nou ja, ik doe het toch... ik heb Mercurius niet beloofd dat ik niet in de doos zou kijken." En Pandora begon de knoop in het gouden koord los te maken. Maar ineens durfde ze toch niet verder.

De hele ochtend deed ze allerlei kleine karweitjes in huis. Maar toen het middag werd, kon ze zich niet langer inhouden. Ze maakte het koord los... Pandora hoorde een zacht zoemend geluid. Het kwam uit de doos... het leek wel of een vlinder met zijn vleugels ergens tegenaan sloeg. "O, het is vast een klein diertje," zei Pandora. "Dat kan ik toch niet in die doos laten zitten!" Ze tilde de deksel van de doos en zag een stenen kruik. De kruik was goed afgesloten met een laagje helder rode lak. "Als ik de lak eraf haal," dacht Pandora, "ziet Epimetheus dat ik in de doos heb gekeken." Ze deed de deksel gauw terug op de doos, knoopte het gouden koord weer vast en probeerde niet meer aan de kruik te denken.

Maar dat bleek moeilijker dan gedacht. Pandora liep rusteloos door de kamer. En toen hield ze het niet langer uit. Ze maakte de doos open en veegde het stof van de kruik. "Pandora! Pandora! Laat ons er alsjeblieft uit!" hoorde ze een heleboel kleine stemmetjes in de kruik zeggen. Pandora beet op haar lippen "Ik mag het niet doen!" zei ze. "Epimetheus heeft met gezegd..." "Epimetheus begrijpt er niets van," zeiden de stemmetjes. "Laat ons er alsjeblieft uit De wereld heeft ons nodig."

Pandora was zo nieuwsgierig geworden, dat ze met haar nagels de lak van de kruik begon te krabben. Onder de lak zat een kurk. Pandora trok eraan en de kurk schoot eraf. En toen... gebeurde er iets verschrikkelijks. Uit de kruik kwam een grote zwarte wesp te voorschijn. Uit zijn angel druppelde vergif. En hij zoemde: "Ik ben de Dood!" Pandora werd heel bang. Toen zag ze dat er nog een beest uit de kruik kwam vliegen. "Ik ben de Angst," zoemde het beest. Daarna kroop er een kever uit de kruik. "En ik... ik ben de Ziekte," zei de kever. En na de kever vloog er een mug uit de kruik. Hij vloog het raam uit, de tuin in. En overal waar de mug ging zitten, begon meteen onkruid te groeien. "Ik ben de Honger!" hoorde Pandora de mug zoemen.

Pandora probeerde wanhopig de kurk in de kruik terug te doen, maar een grote bij prikte met zijn angel in haar vinger en riep: "Je kunt ons niet meer tegenhouden. Wij zijn de slechte dingen die de mensen nog niet kennen. Wij zijn gestuurd door de boze goden, die jaloers zijn op jullie geluk. Ik ben de Ouderdom!" Pandora keek in een spiegel en zag dat haar mooie gezicht vol rimpels zat. En haar prachtige zwarte glanzende haren waren helemaal grijs geworden. Er kwamen nog vier insecten uit de kruik tevoorschijn. Eén insect zei dat hij de Winter was. Hij blies naar Pandora en ze begon te rillen van de kou. De andere drie insecten dat ze Armoede, de Boosheid en de Jaloezie waren.

Even later kwam Epimetheus thuis. Alle insecten vlogen op hem af en gingen op zijn hoofd zitten. Epimetheus begreep onmiddellijk wat er gebeurd was. Hij liep naar de kamer waar Pandora bevend van angst op de grond lag. Boos trok hij jaar overeind. "Je bent een slechte vrouw," schreeuwde hij. "En niet alleen slecht, maar ook ongehoorzaam en dom. Ik heb toch gezegd dat je de doos niet open mocht maken. Waarom heb je niet naar me geluisterd?" Pandora had haar man nog nooit boos gezien. Ze voelde de tranen in haar ogen branden en voor het eerst van haar leven begon ze te huilen. Want er wat intussen weer een insect ontsnapt, de vlieg van het Verdriet. Door het open raam kwamen akelige geluiden naar binnen. De mensen op straat vochten met elkaar, sommige huiden en anderen schreeuwden van angst.

Het leek wel of de hele mooie, gelukkige wereld lelijk en ongelukkig was geworden. Pandora deed de kurk terug in de kruik. Maar op dat ogenblik hoorde ze een heel klein stemmetje zeggen: "Pandora! Pandora! Laat me niet alleen in de kruik. De wereld heeft me nodig!" "Nee!" huilde Pandora. "Ik laat je er niet uit. Jij bent natuurlijk ook zo'n lelijk beest." "Maar ik kan je helpen, Pandora. Laat me er toch uit! zei het stemmetje. Het klink bijna net zo verdrietig als Pandora zichzelf voelde. En Pandora nam de kurk weer uit de kruik. Er vloog een heel klein insect uit de kruik, een klein wit motje. Het motje ging op haar gezicht zitten en ineens voelde Pandora zich weer een beetje blij. "Wie ben jij?" vroeg ze. "Ik ben de Hoop," zoemde het kleine beestje. "Ik denk dat ik maar meteen aan het werk ga."

En het motje vloog naar buiten de tuin in. Het werd meteen lente in de tuin. Toen vloog het motje verder de wereld in en droogde de tranen van de huilende mensen. Voordat het motje het raam was uitgevlogen had hij heel even met een vleugel langs de wang van Epimetheus gestreken. "Zal de wereld het mij ooit kunnen vergeven?" vroeg Pandora aan haar man. Daarna glimlachte hij en zei zachtjes: "Laten we dat maar hopen!"