Voorpagina « De vijfde reis van Sinbad



Het sprookje: De vijfde reis van Sinbad de Zeeman
Gij weet, mijn broeders, dat ik, van mijn vierde reis teruggekeerd, mij weer geheel wijdde aan een leven in weelde, behaaglijkheid en vrolijkheid. Toen vergat ik van louter blijdschap over de grote winst zorgeloos alles wat ik had doorstaan, meegemaakt en geleden. En mijn ziel fluisterde me weer in rond te kijken in de landen der mensen en op de eilanden. En toen nu dit besluit bij mij vaststond kocht ik waren, zoals die voor een reis over zee geschikt zijn, liet die in balen verpakken en verliet Bagdad. Wederom begaf ik mij naar de stad Barsa, en toen ik daar zo langs de kade liep, zag ik een groot, hoog en mooi schip dat mij zeer beviel. De gehele uitrusting was nog nieuw, en dus kocht ik het. Ik huurde een kapitein en matrozen, wees mijn slaven en dienaars hun dienst aan boord, en liet mijn balen daar stouwen.

Daarop kwam er een menigte kooplieden op mij toe, en liet hun lasten ook aan boord van mijn schip brengen, waarna zij mij vrachtprijs en overtocht betaalden. Daarna zeilden wij zo opgewekt en vrolijk voort als men maar kan wensen, want wij hoopten op een gelukkige thuiskomst en op grote winsten. Wij zeilden van eiland tot eiland, van zee naar zee, gingen op de eilanden aan land, bezochten de steden, keken overal rond en dreven handel. Nadat onze tocht zo een tijd had geduurd, kwamen we op een zekere dag bij een groot, onbewoond eiland. Daar viel geen mens te bekennen. Kaal en verlaten lag het daar in de zee, er was slechts een grote witte koepel te zien. Enigen onzer gingen aan land om die koepel eens van dichterbij te bekijken. En zie, het was een groot ei van de vogel Roekh. De kooplieden echter die eropaf gingen om dat zonderlinge bouwwerk te bekijken, wisten niet dat het een ei van de vogel Roekh was en sloegen er met stenen tegen. Het brak en er stroomde veel water uit. En daarbinnen vertoonde zich het jong van de Roekh. Dat trokken ze uit het ei naar buiten, en nadat ze het dier hadden geslacht, namen ze er veel vlees van mee.

Ik echter was op het schip gebleven en had geen vermoeden van wat ze deden. Toen riep een van de reizigers me plotseling toe: "Heer, kom toch gauw en kijk eens naar ei dat wij voor koepel hielden!" En ik ging er terstond op af om te kijken en zag nog juist hoe de kooplieden bezig waren het ei stuk te slaan. Daarop riep ik hun toe: "Doet dat niet! Anders komt ongetwijfeld zo dadelijk de vogel Roekh, vernielt ons schip en richt ons allen ten gronde!" Maar ze wilden niet naar mij luisteren, en terwijl zij nog met hun vernielingswerk voortgingen, verdween opeens de zon voor onze ogen, en de heldere dag werd diepe duisternis. Als een wolk die de hemel verduisterde, trok een schaduw over ons heen. Wij sloegen de blik op en wilden zien wat er tussen ons en de hemel was gekomen. Toen ontdekten we dat het een vleugel van de vogel Roekh was, die het zonlicht van verre hield, zodat er allerwegen duisternis heerste. Zodra de vogel dichterbij kwam en zag dat zijn ei was gebroken, begon hij te krijsen. Nu kwam ook zijn wijfje kijken, en beide vogels cirkelden om het schip heen, terwijl ze daarbij kreten uitstieten die luider klonken dan de machtigste donder. Toen riep ik de kapitein en de matrozen toe: "Stoot het schip snel van de oever af en zoekt redding in de vlucht, voor wij allen kinderen des doods zijn." De kooplieden haastten zich aan boord, de kapitein maakte ijlings het schip los, en wij voeren van dat eiland weg. Maar toen de Roekh merkte dat wij de zee opvoeren, vloog hij weg en verdween voor korte tijd, terwijl wij ons zo snel mogelijk van het eiland verwijderen met de bedoeling de beide vogels te ontvluchten en buiten hun bereik te geraken. Maar daar zaten ze ons al weer achterna en kwamen steeds dichterbij, en beiden hielden in hun klauwen een groot rotsblok.

Eerst liet het mannetje zijn steen vallen, maar de kapitein gaf het schip vlug een andere koers. Het projectiel miste ons nog net. Het kwam met groot geweld in het water terecht, zodat het schip door de golven eerst hoog werd geheven en toen diep wegzonk, dat we de zeebodem konden zien. Ja, met zoveel geweld was dat rotsblok neergekomen! Toen liet ook het wijfje haar rotsblok vallen. Dat was weliswaar iets kleiner dan het eerste, maar helaas - zo was het de wil van Allah de Verhevene - raakte het projectiel de achtersteven, zodat het roer in twintig stukken versplinterde en alles wat zich op dek bevond in het water viel. Ik begon om mijn redding te vechten, aangezien het leven zo zoet en begerenswaardig is, en Allah de Verhevene zond mij één van de planken van het schip. Daar klampte ik me aan vast. Toen klom ik erbovenop en begon met mijn benen te roeien.

Wind en wolken waren mij gunstig, en aangezien het schip in de buurt van een eiland was vergaan, wierp het lot volgens de wil van Allah de Verhevene op het strand van het eiland. Ik klom tegen de steile kust op, maar toen was ik toch aan het einde van mijn krachten en bijna een dode gelijk, omdat alles wat ik aan moeiten en kwellingen, aan honger en dorst had geleden, zwaar op mij drukte. Ik wierp mij neer op het strand en bleef daar een hele poos liggen, tot mijn geest zich herstelde en mijn hart rustiger klopte. Daarna liep ik wat rond over dat eiland, en zag dat het een paradijstuin gelijk was. De bomen hingen vol rijpe vruchten en overal bloeiden de prachtigste bloemen, beekjes kabbelden en ruisten. Vogels zongen en prezen de lof van hun Schepper. En ik at van de vruchten en dronk water van de beekjes totdat mijn honger was gestild en mijn dorst gelest. En ik loofde en prees Allah de Verhevene om Zijn goedheid, want in plaats van de dood in de golven te vinden liep ik rond op dat mooie eiland, at zoete vruchten en dronk fris en klaar water. En ik ging zitten tot de dag ten einde ging en de nacht nabijkwam. Ik echter was van vermoeidheid en uitputting altijd een dode gelijk. Zozeer hadden angst en de zware inspanningen mijn krachten geroofd. Geen gerucht hoorde ik op heel dat eiland. Nergens ook zag ik een menselijk wezen. En ik sliep tot de morgen. Daarna maakte ik me op en wandelde voort onder de bomen, en plotseling zag ik een waterreservoir bij een opborrelende bron, een vergaarbak, waarin het water bijeen liep, en daarnaast zat een oude man die zeer eerbiedwaardig uitzag, hoewel hij slechts met een lendenschortje van bladeren was bekleed.

Ik zei bij mezelf: "Misschien is die oude man op dit eiland gestrand, één van de velen die van een schip vallen als het kentert en vergaat." Ik ging dus op hem toe en groette hem. Hij echter maakte als tegengroet slechts een handgebaar, maar zei niets. Daarop zei ik tot hem: "Eerbiedwaardige grijsaard, waarom zit ge hier?" Hij schudde het hoofd en zuchtte en beduidde mij dat ik hem op de schouders zou nemen om hem te dragen naar de andere kant van de goot waardoor het water van de bron in de vergaarbak liep. Nu zei ik bij me zelf: "Ik wil hem dat genoegen wel doen en hem daarheen dragen waar hij zijn wil. Misschien zal de hemel mij ervoor belonen." Dus kwam ik op hem toe, nam hem op mijn schouders en droeg hem naar de plaats die hij mij had aangeduid. Daar gekomen zei ik tegen hem: "Laat u nu voorzichtig omlaag glijden." Dat deed hij echter niet, maar sloeg zijn benen om mijn hals. En toen ik die benen van hem beter bekeek, zag ik dat de huid ervan op het vel van een buffel leek, zwart ruig en ruw. Daar schrok ik van en ik wilde hem van mijn schouders afschudden. Hij echter klemde zijn benen nog vaster om mijn hals en wurgde me bijna, zodat het me zwart voor de ogen werd. Mijn bewustzijn verliet mij, en ik viel in onmacht als dood op de grond. Toen bewoog hij zijn dijen en trapte me op mijn rug en mijn schouders, en dat deed zo'n pijn dat ik weer opsprong, hoewel hij nog altijd op mij zat en ik onder zijn last snel mijn krachten verloor. Daarna gaf hij me een teken dat ik hem onder de bomen moest dragen en wel daar waar de beste vruchten groeiden, en toen ik weigerde, trapte hij me met de voeten, en dat deed meer pijn dan zweepslagen. En telkens maar wees hij - nu die boom, dan deze - en als ik aarzelde of te langzaam liep, trapte hij weer met de voeten. En onder het gaan maakte hij ook nog mijn schouders nat en vuil, omdat hij schaamteloos zijn behoeften deed al naar het hem inviel.

Scan: Marwin van de HoeveDag en nacht bleef hij maar zitten op mijn rug. En wilde hij slapen dan klemde hij zijn benen nog wat vaster om mijn hals en deed een dutje. Werd hij dan weer wakker, dan trapte hij mij opnieuw, en dan moest ik vlug opstaan en alles doen wat hij wilde, want anders mishandelde hij mij. Nu maakte ik mezelf verwijten dat ik me over hem had erbarmd en hem op mijn schouders had getild. Maar het ging nog altijd zo verder, en ik bevond me in de grootste nood. Daarop sprak ik tot mezelf: "Ik heb die kerel mijn goedheid betoond en hij heeft mij boosheid vergolden. Van nu af wil ik, bij Allah nooit meer enig mens nog te wille zijn en goedheid bewijzen." En ik bad op dit ogenblik tot Allah de Verhevene dat Hij mij de dood mocht schenken, want ik kon die zware inspanning, moeite, last en kwelling niet langer meer dragen. Niettemin moest ik nog een hele tijd zo verder leven, tot ik tenslotte op zekere dag met hem op een plek op het eiland kwam waar veel kalebassen groeiden. Veel van die vruchten waren droog en dor. En zo nam ik zo'n grote en droge kalebas, sneed die vanboven open en holde hem uit. Daarna droeg ik hem naar een wingerd, vulde de kalebas met druivensap, sloot de opening aan de bovenkant en zette de vrucht in de zon. Nadat ik die kalebas een aantal dagen daar had laten staan, was het sap tot een koppige wijn gegist. En nu begon ik er iedere dag van te drinken om mij aldus tegen de kwellingen en verdrietelijkheden te sterken, die ik van die oude satan had te lijden. En telkens als ik dronken was van de wijn, vatte ik nieuwe moed.

Maar op zekere dag, toen hij mij zag drinken, vroeg hij mij met zijn gebarentaal wat het was dat ik dronk. En ik antwoordde hem: "Dat is iets goeds dat het hart sterkt en nieuwe moed geeft aan de ziel. "Daarna liep ik met hem onder de bomen rond en begon te dansen, en wegens de dronkenschap die mij overweldigde, klapte ik in de handen en begon te huppelen, zong en was uitgelaten als een kind. Toen hij mij in die begerenswaardige toestand zag, gaf hij mij een teken dat ik hem ook uit die kalebas zou laten drinken. En omdat ik bang voor hem was, gunde ik hem dat genoegen. Alles wat er nog in was, dronk hij op en wierp toen de vrucht weg. Nu werd ook hij vrolijk en begon op mijn schouders heen en weer te waggelen. Tenslotte echter werd hij dronken en geraakte in een zo zware roes dat zijn ledematen en spieren verslapten en hij nog maar heel onvast op mijn schouders zat. Zodra ik merkte dat hij dronken was en zijn zinnen niet meer meester, greep ik zijn voeten, maakte die van mijn hals los, bukte me toen met hem op mijn rug, en ging zitten, terwijl hij op de grond viel. Toen ik me aldus van die satan had bevrijd, kon ik het nog nauwelijks geloven dat ik hem kwijt was en aan mijn ellende ontkomen. En omdat ik vreesde dat hij uit zijn roes zou kunnen ontwaken en mij iets onherroepelijks zou aandoen, haalde ik een grote steen die daar onder de bomen lag, liep op de oude man toe en sloeg hem, terwijl hij sliep, zo danig hard op het hoofd dat het barstte zoals een vuil ei barst.

Nu lag hij daar dood op de grond - dat Allah hem niet genadig zij! Maar ik liep opgelucht, licht van hart en vrolijk van gemoed, over het eiland voort en kwam weer op die plek aan het strand waar ik al eerder was geweest. Maar ik zou nog een hele tijd op het eiland blijven, etend van zijn vruchten en drinkend uit zijn beken en bronnen, en voortdurend keek ik uit of er niet een schip voorbij zou komen. En eindelijk, op een dag toen ik daar weer zo zat en over mijn avonturen en mijn lot nadacht en bij mezelf zei: "Ik zou toch wel graag weten of Allah mij gelukkig en wel hieruit redt, zodat ik kan terugkeren naar mijn land en weer bij de mijnen en bij mijn vrienden kan zijn... !" zie, daar dook een schip op uit de kolkende zee en de dartelende golven, en het voer recht uit recht aan, op het eiland toe en ging daar voor anker. De reizigers gingen van boord en stapten aan land. Ik liep op hen toe en toen ze me zagen, verdrongen ze zich om mij heen en vroegen me het mij gesteld was en hoe ik op dit eiland verzeild was geraakt. Daarop vertelde ik hun mijn belevenissen en avonturen, en zij luisterden naar me met grote verbazing. Toen zeiden ze: "Die man die op uw schouders reed, heet de Oude Man van de Zee; nog nooit is iemand die onder zijn tanige benen bekneld raakte, van hem verlost. Geprezen zij Allah voor uw redding!" Daarop brachten ze me wat te eten, en ik at tot ik verzadigd was. Ook gaven ze me kleren om mijn naaktheid te bedekken. En tenslotte namen ze mij met zich mee aan boord, en wij voerden dag en nacht verder, tot het lot ons voerde naar een stad, hooggelegen en met huizen die op zee uitzagen. Die heette de apenstad, en als het nacht werd, snelden alle bewoners door de poorten het strand op, gingen aan boord van boten en schepen en overnachtten buiten op het water, want ze waren bang dat de apen uit de bergen omlaag zouden komen om hen des nachts te overvallen. Ik ging aan land om de stad eens te bezichtigen, maar toen voer het schip verder zonder dat ik het wist. En nu berouwde het me dat ik in die stad aan land was gegaan, en ik dacht aan mijn makkers en aan alles wat ik al twee keer met die apen had meegemaakt. En ik ging zitten, wenend en jammerend. Maar toen kwam een man uit de stad op mij toe en vroeg mij:" Mijn beste heer, u bent zeker een vreemdeling in dit land?"

"Ja, inderdaad," antwoordde ik hem, "ik ben een arme vreemdeling. Ik ben met een schip gekomen dat hier voor anker ging. Ik stapte aan land om de stad te bekijken, maar toen ik naar de kade terugkeerde, vond ik het schip niet meer." En die man zei: "Kom, ga met ons mee en stap in de boot, want als ge des nachts in de stad blijft, zullen de apen u het leven zuur maken." "Ik hoor en gehoorzaam!" antwoordde ik, stond terstond op en stapte met de man en diens vrienden in de boot. Ze voerden de zee op, tot ze op een mijl afstand van de kust waren. Daar brachten ze de nacht door, en ik bleef bij hen. En toen het morgen werd, keerden ze met hun schepen naar de stad terug, gingen aan land, en een ieder hunner wijdde zich aan zijn zaken. Dit plachten ze iedere nacht te doen, maar als een hunner des avonds in de stad achterbleef, overvielen de apen hem, en werd dan zijn dood. Bij het krieken van de dag liepen de apen weer de stad uit, vraten van de vruchten uit de tuinen en parken en sliepen in de bergen, tot de nacht viel. Eerst dan keerden ze naar de stad terug. Die stad is in het meest afgelegen deel van het land der zwarten gelegen, en het zonderlingste wat ik daar beleefde, is wel dit: Een van de mannen met wie ik de nacht op zee doorbracht, zei tegen me: "Best heer, u bent een vreemdeling in dit land. Kent ge een handwerk dat ge beoefenen kunt?"

"Neen, bij Allah, mijn broeder," antwoordde ik hem, "Ik heb geen ambacht en ik ken ook geen handwerk. Ik ben immers een koopman? Ik bezat geld en goed en mocht me zelfs eigenaar van een schip noemen, dat beladen was met veel waren en goederen. Maar het leed schipbreuk, op volle zee, en alles wat er zich op bevond, ging ten onder. Ik kon me slechts met behulp van Allah van de dood door verdrinking redden, want Hij, de Verhevene, zond mij een plank waar ik op kon klimmen, en dat was de reden dat ik in leven bleef tot nu toe!" Daarop bracht de man mij een zak van katoen en zei:" Neem deze zak en vul hem met kiezelstenen, zoals die hier overal in het rond liggen. Trek dan met een aantal mensen uit deze stad uit; ik zal u met hen in kennis stellen en u in hun hoede aanbevelen. Doe precies zoals zij doen! Misschien kunt ge dan iets verdienen dat kan dienen om verder te reizen en naar uw land terug te keren." Daarop nam hij met zich mee en bracht mij tot buiten de stad. Daar raapte ik kleine kiezelstenen bijeen en vulde daar de zak van katoen mee. Spoedig verliet ook een schare mannen de stad, en mijn vriend stelde mij aan hen voor en beval mij aan hun goede zorgen aan, zeggende: " Die man is een vreemdeling; neemt hem met u mee en leert hem rapen, zodat hij zijn dagelijks brood kan verdienen en u het loon des hemels ten deel zal vallen!"

"Wij horen en gehoorzamen!" antwoordden zij. Daarop heetten ze me welkom en namen mij met zich mee. Een ieder van hen had een zak bij zich zoals ik die droeg, en die was met kiezelstenen gevuld. Wij trokken steeds verder totdat wij een breed dal bereikten met veel hoge bomen, waarin niemand tot aan de kruin vermocht te klimmen. Maar in het dal waren ook veel apen, en zodra die ons zagen, vluchtten ze voor ons en klommen de bomen in. Nu begonnen de mannen met de stenen die ze in hun zakken hadden naar de apen te gooien, en de dieren rukten de vruchten van de bomen en wierpen die omlaag naar de mannen. En ik bekeek de vruchten waarmee de apen gooiden, en ontdekte dat het kokosnoten waren. Nadat ik de mannen zo bezig had gezien, koos ik op mijn beurt een grote boom, waarin veel apen zaten, ging er heen en begon met stenen naar de dieren te werpen. Daarop rukten ze de noten van de takken en gooiden die omlaag, en ik verzamelde ze net zoals de anderen dat deden. En voor ik nog alle stenen in mijn zak voor dat doel had gebruikt, had ik al een grote hoeveelheid noten in mijn bezit.

Toen de mannen dan met hun werk klaar waren, namen ze alles wat er aan noten lag en een ieder droeg zoveel weg als hij dragen kon. En tenslotte keerden we, zolang het nog dag was, naar de stad terug. Daar begaf ik me terstond naar de man die mij met de anderen in kennis gebracht had, en ik wilde hem alles geven wat ik had geraapt, terwijl ik hem voor zijn goedheid dankte. Hij echter sprak tot mij en zei:" Neemt ze en verkoopt ze, en doet met de opbrengst wat u goeddunkt!" Daarop gaf hij mij de sleutel van een kamer in zijn huis en zei: "Hier kunt ge altijd de noten die ge bewaren wilt opslaan. Trekt er iedere morgen met de anderen op uit, zoals ge vandaag deed, en kiest van de noten die ge mee terugbrengt de slechte uit, verkoopt die en handelt met de opbrengst naar believen. Maar de goede moet ge hier opslaan. Misschien zult ge op die manier zoveel goede noten bijeenbrengen dat ge daarmee uw terugreis kunt betalen!" "Allah de Verhevene vergelde het u!" antwoordde ik en deed zoals hij me had gezegd. Ik vulde voortaan iedere dag mijn zak met kiezelstenen, ging er met de mannen op uit en deed zoals zij. Nu bevalen ze mij elkander aan en wezen mij altijd de boom waaraan de meeste vruchten hingen. Lange tijd bleef ik bij hen en zo stapelde zich bij mij een grote hoeveelheid noten op. Ook verkocht ik er veel, en verdiende daardoor zoveel geld dat ik alles wat ik zag en graag wilde hebben kon kopen.

Aldus maakte ik een mooie tijd door, en mijn aanzien nam toe in heel de stad. En ik leefde zo voort, tot er op een zekere dag, toen ik aan de oever stond, een groot schip afstevende en op de rede voor anker ging. Aan boord bevonden zich kooplieden die waren met zich meevoerden en die nu met kokosnoten en andere dingen handel dreven. En ik ging naar mijn vriend en vertelde hem van het schip dat was aangekomen, maar ook zei ik tegen hem dat ik weer terug wilde naar mijn vaderland. "Dat hangt geheel van uzelf af," antwoordde hij, en ik nam afscheid van hem, nadat ik hem voor al zijn goedheid had bedankt.

Daarop ging ik naar het schip, zocht de kapitein op en werd het met hem eens over het geld dat ik betalen moest voor de overtocht en vrachtprijs. Toen ging ik met mijn hele bezit aan kokosnoten en andere zaken aan boord. En nog diezelfde dag vertrokken we. Wij zeilden lustig voort, van eiland tot eiland en van zee tot zee. Op elk eiland dat wij aandeden, verkocht ik kokosnoten of ruilde die voor andere waren in. En Allah gaf mij Zijn goedheid - Zijn almacht zij geprezen! - meer terug dan ik vroeger had bezeten en verloren. Ook kwamen we aan een eiland waar kaneel en peper groeiden, en de mensen daar vertelden ons dat er bij iedere tros peperbessen een groot blad groeide dat hun schaduw gaf en hen beschermde tegen de regen, maar was de regentijd voorbij, dan hing het weer langs de peperbollen neer. En op dat eiland ruilde ik een grote voorraad peper en kaneel tegen kokosnoten. Ook deden we nog het eiland der gevaren aan, waar een soort aloëhout groeit, en verder nog een eiland dat vijf dagreizen lang is en waar Chinees aloëhout groeit dat nog beter is. Maar de bewoners van dit eiland staan, wat zeden en geloof betreft op een lagere trap van ontwikkeling dan het volk van het eiland der gevaren. Zij geven zich over aan het drinken van wijn; ze kennen de moëddzin niet en bidden als het hun zo invalt.

Daarna kwamen we bij de parelvissers. Ik gaf hun kokosnoten en zei hun voor mij op goed geluk te duiken. Dat deden ze en kwamen werkelijk met een hoeveelheid grote en kostbare parels weer boven water. Toen spraken ze tot mij en zeiden: "Verheven heer, bij Allah, hoezeer is toch het geluk met u!" Ik echter bracht alles wat ze voor mij hadden gevonden mee naar het schip. En wij voerden met de zegen van Allah de Verhevene steeds verder, tot we eindelijk de stad Barsa bereikten. Ik ging aan land en bleef korte tijd in de stad, waarna ik mijn reis naar Bagdad voortzette. Daar begaf ik me naar mijn stadswijk, betrad mijn woning, waar ik werd beroet door de mijnen en mijn vrienden, die met mij behouden terugkomst gelukwensten. Nadat ik alle waren en goederen die ik met mij voerde, had opgeslagen, kleedde ik de weduwen en wezen en deelde gaven en geschenken uit aan mijnen, aan mijn vrienden en metgezellen, want Allah had mij alles wat ik had verloren veelvuldig vergoed. Ik vergat ook, dank zij die rijke winsten en heerlijke vreugden, alle wetenswaardigheden die ik meegemaakt en alle gevaren die ik had doorstaan, en opnieuw gaf ik mij over aan een leven van behaaglijke weelde en gezelligheid, samen met mijn vrienden. Dit dus is het wonderbaarlijkste dat mij op mijn vijfde reis overkwam. Maar laat ons nu het avondmaal gebruiken! En als ge morgen terugkomt, zal ik u de avonduren van mijn zesde reis vertellen. Die nog zonderlinger dan die u thans hoorde. Toen nu de gasten de maaltijd hadden genuttigd, beval hij aan Sinbad de Drager honderd gram goud te geven. Deze nam het geschenk in ontvangst en ging heen, terwijl hij andermaal zeer verwonderd was over alles wat hij had vernomen.

De nacht bracht hij thuis door, maar toen het ochtend werd stond hij op zei het ochtendgebed en begaf zich op weg, tot hij het huis van Sinbad de Zeeman had bereikt. Daar trad hij binnen en wenste hem een zeer goedemorgen. De andere verzocht hem bij hem plaats te nemen, en toen hij dat had gedaan, praatte zij samen heel genoeglijk tot ook de andere gasten kwamen. Zij begroetten elkander; de tafels werden bereid; men at en dronk, was blij en opgewekt. En toen begon Sinbad de Zeeman weer te vertellen...