Voorpagina « Jongen die van sprookjes hield



Er was eens, nog niet zo heel lang geleden, een jongen die erg van sprookjes hield. Om te lezen, om naar te kijken en te luisteren en om te verzamelen. Het deerde hem niet hoeveel het hem kostte. Maar hij moest natuurlijk wel geld hebben voor zijn hobby. Daarom werkte hij als vakkenvuller bij een supermarkt, en als duvelstoejager bij een of ander vaag bedrijf om ervaring op te doen op het gebied van informatiebeheer. Hij was een man van de klok. Hij hanteerde strikte werktijden en als het tijd was om te lunchen verscheen hij altijd op precies het juiste tijdstip, je kon er je horloge op gelijk zetten. Op een koude dag, hartje winter, stapte hij op de trein om naar zijn geliefde Sprookjesbos te gaan. Het was een heel eind reizen en hij had zich net lekker in zijn coupé geïnstalleerd of de trein begon langzamer te rijden, steeds langzamer, tot hij stilhield. De jongen wilde graag op tijd in zijn Sprookjesbos zijn om de hele dag te kunnen genieten en anders zou het natuurlijk ook zonde van zijn geld zijn. Dus wilde hij weten waarom de trein stilstond. Maar zou hij dat wel durven te vragen en .... hoe vraag je zo iets, met andere woorden: hoe communiceer je effectief? Uiteindelijk trok hij toch maar de stoute schoenen aan en ging op zoek naar iemand om het aan te vragen. Want van vragen wordt je wijzer, zei zijn moeder altijd, en die kon het weten. Maar net toen hij op wilde staan, gingen ineens alle lichten in de trein uit. Alleen het vage schijnsel van de nooduitgangslampjes was nog te zien. De jongen sloeg de schrik om het hart; wat gebeurde er toch allemaal? Voor hij daarover na kon denken, zag hij ineens voor zijn raampje een elfje vliegen. Ze had lichtgevende vleugeltjes en in haar hand had ze een fonkelend toverstokje. Ze lachte naar de jongen en wenkte hem.

Volledig gebiologeerd keek de jongen het elfje aan. Wat was ze mooi en haar toverstokje fonkelde zo prachtig. De jongen dacht niet meer aan zijn Sprookjesbos, hij wist alleen nog maar dat hij zijn elfje moest volgen. Haastig stond hij op en struikelend over tassen en benen vond hij zijn weg door de donkere coupé naar de deur. "Deur openen" stond er boven de zilverkleurige knop, maar wat hij ook probeerde ... de deur bleef gesloten. Het elfje fladderde voor de gesloten deur "Kom ... kom dan" leek haar toverstokje te zeggen. Ze vloog een eindje vooruit in de hoop dat de jongen haar zou volgen. De jongen werd steeds wanhopiger en beukte op de deur. Hij nam een aanloop en met de kracht der wanhoop lukte het hem de deur te forceren. "Wacht op mij, elfje, ik wil met je mee naar het Sprookjesbos."

De jongen wurmde zichzelf door de smalle opening van de treindeur. Hijgend en puffend stond hij buiten; hij moest eerst even op adem komen. Het elfje streek neer op zijn schouder en sprak hem bewonderend toe. "Wat een kracht heeft deze jongen" dacht ze, "dat heeft hij vast gekregen van het bezorgen van die zware apparatuur". "Kom" zei ze "We hebben nog een lange weg te gaan". "Voor middernacht moeten we het magische portaal naar het Sprookjesbos bereiken, want klokslag 24.00 uur sluit het portaal, en kunnen we er niet meer door". Daar gingen ze. De jongen ging met rasse schreden, en het elfje fladderde om hem heen. Maar, het ging het elfje niet snel genoeg. Ze piekerde en peinsde "is er dan geen snellere weg?". Flits, daar kreeg ze een geweldig idee. Als ze hem nou ook eens in een elfje veranderde? Ze bedacht zich geen seconde, zwaaide met haar toverstafje en strooide daarmee duizenden fonkelende korreltjes toverzand over de jongen heen. De jongen bleef staan en keek verwonderd naar het glinsterende zand dat om hem heen dwarrelde en op zijn hoofd, schouders en armen belandde. Met verbazing zag hij hoe de grond langzaam maar zeker dichterbij kwam en zijn handen, armen en benen krompen. Wat gebeurde er toch met hem?

Dit soort dingen gebeuren toch alleen maar in een sprookje? Het was net of het elfje zijn gedachten kon lezen want ze zei: "Wees niet bang, ik heb je in een elfje veranderd zodat we sneller bij het Sprookjesbos kunnen zijn." Met een klein tikje van het toverstafje op de rug van de jongen, toverde ze twee mooie, witte, glanzende vleugels tevoorschijn. Ze pakte de jongen bij zijn handen en trok hem mee de lucht in. Eerst nog wat onwennig, maar al snel enthousiast klapperend met zijn vleugels vloog de jongen samen met het elfje richting het Sprookjesbos. Ze fladderden en fladderden door de lucht en de jongen keek zijn ogen uit. Het elfje vloog voor de jongen uit en hij keek haar bewonderend aan. "Wat een pracht-elfje" zei hij tegen zich zelf. "Die is van mij. Ik wil niet meer normaal zijn, ik wil ook een elfje blijven. Ik wil ook voor altijd blijven vliegen en de wijde wereld in trekken, samen met haar. Ik hoef niet meer naar het Sprookjesbos, want ik leef nu zelf in een sprookje", dacht hij. Even sloot hij zijn ogen om van dit moment te genieten. Dat had hij beter niet kunnen doen. Plotsklaps lag hij met gebroken vleugels op de grond voor een boom.

Hij was kennelijk een tijdje buiten westen geweest want op het moment dat hij zijn ogen weer opende bevond hij zich in een grote grot met steile wanden, verlicht door wel honderd fakkels. Hij keek om zich heen waar het pracht-elfje was gebleven maar kon haar tot zijn spijt niet meer vinden. Net op het moment dat hij zich afvroeg wat hij nu moest doen als elfje, want daarmee had hij natuurlijk geen ervaring, hoorde hij achter zich een stem venijnig zeggen: dit is nog eens wat anders dan bij je moeder thuis, hè! Je moet het hier helemaal alleen doen. En met een kakelende lach rende de trol, want dat was het, vliegensvlug naar een rotsblok waarachter hij vervolgens verdween. De elfenjongen probeerde zielig achter de trol aan te fladderen. Maar dit was zo pijnlijk vanwege zijn gebroken vleugels dat hij terneergeslagen ging zitten. Hij vroeg zich wanhopig af wat hij nu moest doen. Ook begon hij honger en dorst te krijgen en hij had natuurlijk zijn bagage in de trein laten liggen. Hij wist uit ervaring dat als je niets zelf onderneemt er dan ook niets gebeurt. De elfenjongen vermande zich en besloot de grot te onderzoeken. Hij moest soms over rotsblokken klauteren wat voor een gehavende elf nogal een opgave is, en hij hoorde voortdurend enge sissende geluiden. Naarmate hij dieper de grot in liep werd het steeds kouder en de vloer werd gladder. De ruimte werd nauwer en nauwer en ging plotseling over in een trap die naar boven voerde, gevormd door ijspegels. Nieuwsgierig als hij is ging hij de trap op naar boven. Het enige dat zich daar bevond was een kast. En natuurlijk maakte hij, heel onverstandig, deze kast open. Allemaal flesjes. Omdat hij zo dorstig was probeerde hij er maar eens eentje. Maar dat kwam hem duur te staan. Eerst lezen en dan pas doen was aan hem niet besteed want anders had hij gezien dat op het etiket stond: "Afblijven, Laaf!"

Een tintelend gevoel maakte zich van hem meester. Wat gebeurde er! Hij voelde dat hij aan het veranderen was. Hij keek naar zijn niet meer zo elegante voetjes en handjes. Toen hij zich in het flesje spiegelde, zag hij dat ook zijn vleugels verdwenen waren en dat hij veranderd was in een monsterlijke laaf. Het "laaf-zijn" had kennelijk ook een voordeel. In de verder lege ruimte zag hij opeens een deur. Door zijn gedaanteverwisseling kon hij plotsklaps in twee stappen de deur bereiken, wat even tevoren nog een hele onderneming was in de gedaante van een elf. Hij pakte de glanzende zilveren deurknop en draaide deze waardoor de deur zwierig open zwaaide, en wat hij toen zag was ongelofelijk, een wereld zo fel en licht. Alles fonkelde en overal was ijs. Voor zich zag hij een groot kasteel met een oprijlaan met aan beide zijden prachtige ijsstruiken en een prachtige ijstuin met bloemen. Op de vijver schaatste iemand mooie figuren. Het was werkelijk fantastisch, hier moest de show van Holiday on Ice bedacht zijn. Hij wilde naar het kasteel toe rennen om te kijken of het elfje daar misschien zou zijn om hem hier uit te helpen. Maar toen hij de derde stap wilde zetten gleed hij ineens uit en viel boven op zijn laven kont. Hij gleed maar door en door en wat hij toen zag!

Op de binnenplaats van het kasteel dansten prachtige elfen op een enorme dansvloer. Aan het eind op een hele grote troon zag hij opeens zijn geliefde elf zitten! Zij was de koningin van het bal. Op haar hoofdje glansde de mooiste kroon van de hele wereld en in haar prachtige gouden lokken schitterden duizenden pareltjes. Hij keek zijn ogen uit. Maar zij zag hem niet staan. Laven zijn nu eenmaal niet aantrekkelijk voor elfjes met hun grote handen, voeten, buiken en dan als toppunt zo'n lelijke neus! Wat moest hij nu doen? Voor het eerst in zijn leven besloot hij de stoute schoenen aan te trekken en rende naar haar toe. Opeens leek het licht uit de hemel te vallen. Hij werd verblind door het schitterendste vuurwerk dat hij ooit in zijn leven had gezien! Maar au, wat was dat. Hij werd alweer tegen de grond geslagen. Dit keer door een straal van vuur. De wereld om hem heen leek te groeien en de grond kwam snel dichterbij. Zijn handen en voeten waren weer fijn en klein en achter zich hoorde hij een zacht gefladder. Hij keek achterom en op zijn rug had hij weer prachtige witte vleugels.

Zo gelukkig was hij nog nooit geweest. Nu hij weer een prachtige elf was, paste hij goed bij zijn mooie elfen-koningin. Hij vergat zijn moeder en ook zijn maag gaf geen etenstijd meer aan. Hier wilde hij blijven. Hij vloog naar zijn geliefde elf toe en kuste haar innig. De tijd stond stil voor hen beiden en zij leefden nog lang en gelukkig!

Met dank aan de collega's van Jansse en Koekkoek