Voorpagina



De Fakir, wie kent hem niet... hoog boven een tulpenweide aan het einde van het Sprookjesbos vliegt de Fakir. Het sprookjes dat in 2008 haar 50 jarig jubileum vierde, is een verhaal dat past in de traditie van 1001 Nacht. Want wie zal zoeken naar dit verhaal zal zonder succes de laatste bladzijde van 1001 Nacht omslaan, zonder het gevonden te hebben. Onderstaand verhaal is afkomstig uit het Efteling Sprookjesboek, door Martine Bijl. Enige gelijkenis met de Chinese Nachtegaal is niet vreemd, aangezien in beide verhalen een staatshoofd hebben, die ziek worden van rijkdom. Beide genezen dan weer door de schoonheid van de natuur.

Het sprookje
Eens, vele eeuwen geleden, bestond er een land dat Simarstan heette. Het was er zo uitgestrekt, dat niemand eigenlijk precies wist waar het begon en waar het eindigde. Achter de bergen in het oosten rezen weer nieuwe bergketens op en men vertelde dat daarachter, ver weg, woeste volken woonden die het niet zo nauw namen met de goede zeden. Maar niemand uit Simarstan had ooit een vertegenwoordiger van die volken ontmoet en niemand had daar ook behoefte aan. De sultan van Simarstan was zo machtig of welgesteld, dat hij geen flauw vermoeden van zijn rijkdommen had. Evenmin wist hij over hoeveel onderdanen hij regeerde en waar ze allemaal woonden. Wel ontving hij zo nu en dan een emir ten paleize. Dan hoor de de sultan de emir uit over de gang van zaken zijn grote rijk. Als zo'n emir dan was aangediend, zonk hij voor de sultan op de knieën en kuste hem zijn voeten. Daarna knipte hij met duim en wijsvinger, waarop één van zijn meegenomen dienaren naar voren trad om het geschenk van de emir aan de sultan te overhandigen.

Op een dag ontving de sultan bezoek van een emir die zo ver weg woonde dat hij hoogstens eens in de twee jaar de reis naar de hoofdstad ondernam om zijn verslag uit te brengen. Ook deze emir knipte, na de ontvangstplechtigheden, met duim en wijsvinger ten teken dat de overhandiging van het cadeau kon plaatsvinden. De sultan had in de loop der jaren al zoveel geschenken gekregen, dat hij van een goeden halsketting met smaragden of een zilveren bokaal met ingelegde robijnen nog nauwelijks opkeek. Hoewel hij dus erg verwend was, nam hij de geschenken altijd met een minzame glimlach in ontvangst. Dat deed hij ook nu. De bediende overhandigde hem een kleine doos, die de vorst zelf bleek te moeten openen. Er kwam een bolvormig voorwerk uit tevoorschijn, verpakt in een klein satijnen doekje. De sultan verwijderde het doekje en keek nogal verbaasd naar de kleine ui die hij in zijn hand hield. Hij wierp de emir een vragende en nogal verbolgen blik toe. "Wat stelt dit voor, emir?" "Dit stelt niet voor, Hoogheid,' antwoordde de emir "eh... tenminste het gáát iets voorstellen. Het is een tulpenbol." "Een tulpenbol? Wat, in de naam van Allah, is een tulpenbol?"

De emir legde uit dat het bol is die in de aarde gestopt moest worden en dat daar naar verloop van tijd een tulp uit tevoorschijn komt. "En wat is een tulp? vroeg de sultan die een beetje ongeduldig werd. "Een tulp, Hoogheid, is een zeldzame bloem. Zo mooi, zo waarachtig, dat je zou willen dat iedere bloem in uw paleistuin, hoe mooi ook, zou worden vervangen door een tulp. De sultan krabde eens aan zijn kin. "Ik heb tien muilezels meegebracht," ging de emir verder, 'die bepakt zijn met ieder vier zakken van tien kilo tulpenbollen." De sultan raakte niet bepaald onder de indruk. Hij legde de tulpenbol op een albasten tafeltje naast zich en klapte in zijn handen. Vrijwel onmiddellijk verscheen er een bediende in een blauwe, met gouddraad bestikte boernoes. "Zeg de tuinman dat hij de tien muilezels van de emir aflaadt en dat hij de zakken met hoe heten ze ook al weer... tulpenbollen, opstapelt in de grote schuur," sprak de sultan en tegen de emir zei hij: "Ik dank u voor uw wat ongebruikelijke geschenk. En verteld u mij nu eens, hoe de zaken in uw gebied er voorstaan."

Een paar uur later lagen de veertig zware zakken keurig tot aan de nol van de schuur opgestapeld. Doodmoe van het sjouwen sjokte de tuinman naar zijn lemen huisje aan de rand van de paleistuin terug en daar liet hij zich kreunend op zijn slaapmatje vallen. Wat een karwei. Zoiets had hij nog nooit meegemaakt. Waarmee zouden die zakken gevuld zijn? Toen hij een beetje was bijgekomen, ging hij terug naar de schuur en peuterde één van de zakken open. Even later stond hij met een wonderlijk, donker glanzend bolletje in de zijn hand. "Een ui of zoiets." dacht de tuinman en hij wist genoeg van bloemen en planten om te begrijpen dat die ui in de aarde gestopt moest worden, en dat je dan maar af moest wachten wat er zich boven de grond zou vertonen. Achter zijn lemen huisje begroef de tuinman het uitje op een plek waar nooit iemand kwam en dacht er verder niet meer aan.

Enige dagen nadat de emir vertrokken was, gebeurde het dat de sultan zich niet lekker voelde. Hij had hoofdpijn en zelfs het lekkerste hapje eten smaakte hem niet meer. De lijfarts van de sultan vond het raadzaam, dat Zijne Hoogheid enige dagen het bed zou houden en hij bereidde hem een drankje uit Gevreesd Beitelschors en Wilde Zomerprijs, in ieder geval een afdoend middel tegen van alles. Maar de sultan knapte er niet van op. Integendeel, hij werd steeds zieker. De haremvrouwen klaagden ach en wee, ze zongen de hele dag treurige liederen en ze smeekten Allah om hun meester toch maar spoedig beter te maken. Het haalde allemaal niets uit. De sultan lag te bibberen in zijn bed en sprak zo nu en dan wartaal. De lijfarts bladerde al zijn dikke boeken met vreemde ziektes en aandoeningen door en hij snuffelde in de paleistuin tussen zijn artsenijkruiden. Hij probeerde van alles om de sultan beter te maken, maar tevergeefs.

Op een dag, toen niemand meer over iets anders sprak dan over de geheimzinnige ziekte van de sultan, verscheen er in de paleistuin een zwerver met een vale tulband op zijn hoofd. Hij was zo mager, dat je bijna door hem heen kon zien. Zijn verwarde baard reikte tot zijn knieën. Op zijn rug droeg hij een bundeltje en aan zijn sandalen wat te zien dat hij de halve wereld had bereisd. Toen de zwerver de tuinman in het oog kreeg, liep hij op hem af en zei: "Beste man, de grote genadige Allah zij met u. U zult tot zijn grote zonen behoren, als u mij kunt helpen aan een stukje Maïskoek en een napje water." De tuinman bekeek de zwerver van zijn tulband tot zijn sandalen en daar hij erg van muziek hield, ontging hem niet dat de zwerver een prachtige ivoren fluit in zijn versleten gordel droeg. "Kom," zei de tuinman. Hij leidde de zwever naar zijn huisje, waar hij hem een hele maïskoek en een grote nap helder bronwater voorzette. Zijn gast ontdeed zich van zijn bundeltje en hoewel hij uitgehongerd moest zijn brak hij de maïskoek langzaam en omzichtig in stukjes, die hij met aandacht oppeuzelde. Zo nu en dan zette hij zonder morsen de nap met water aan zijn mond. De tuinman keek zwijgend toe. Toen alles tot de laatste kruimel en druppel op was, keek de zwerver peinzend naar de grond. "Bent u op reis?" wilde de tuinman weten. "Ik ben altijd op reis," was het antwoord, "ik ben gedurende al mijn levens op reis. Ook in dit leven laten mijn voeten mij geen rust."

De tuinman voelde zich een beetje onbehaaglijk. "U kunt hier vannacht wel slapen, als u wilt. Het is hier in ieder geval koel en droog." "Koel en droog," herhaalde de zwerver, "een aanlokkelijk aanbod. Maar ik moet verder, mijn reis is nooit ten einde." De tuinman bood de zwerver aan om tenminste even uit te rusten. "Achter min huisje staat de jasmijn in volle bloei en de warmte van de dag is daar allang geweken." "U hebt een goed hart," zei de zwerver na een korte aarzeling. "Goed, ik blijf nog even" En zo zat het tweetal even later in de schaduw van het weelderig lommer achter het huisje van de tuinman. Toen ze daar zo een poosje zwijgend hadden doorgebracht, haalde de zwerver de ivoren fluit uit zijn gordel en begon een wijsje te spelen. De zilveren toon na de andere zocht zijn weg door het bladerdak en de tuinman luisterde ademloos. Opeens richtte zijn blik zich naar een plekje op de grond. De aarde bewoog, er vielen wat korrels opzij en een fluwelig rood puntje rees omhoog. De punt werd groter en groter en nam de vorm aan van een statige bloem, die werd gevolgd door een sterke lichtgroene stengel. De tuinman begreep wat er gebeurde. De zwerver was een fakir en de toverkracht van de fluit deed de tulp vroegtijdig uit haar bol komen. Dat moest de sultan zien! Maar de tuinman bedacht verdrietig dat de sultan ziek was. Erg ziek zelfs. Toen de tulp fier en stralend boven alle onkruid uitstak, hield de fakir op met spelen. De tuinman keek zijn gast vol ontzag aan. "Dit moest de sultan kunnen zien," zei hij zacht, "maar hij is ziek..." "De sultan is ziek van zijn rijkdom en macht," viel de fakir hem in de rede. "Zijn ogen zijn blind geworden voor de schoonheid van et kleine en eenvoudige. Hij heeft nog één kans om te blijven leven. Snijd de tulp af, tuinman, en vraag of je ermee bij het bed van de sultan mag worden toegelaten.. Misschien dat de schoonheid van deze bloem hem nieuw leven schenkt. Als hij de schoonheid niet ziet, betekent dat, dat zijn ziel reeds gestorven is en dat zal zijn lichaam spoedig volgen. Ga nu. Ik blijf hier wachten."

De tuinman sneed de tulp bij de grond af, ging naar het paleis en vroeg of hij de sultan een kort bezoek mocht brengen. Na een kleine beraadslaging lieten de raadsheer en de lijfarts de tuinman tot de ziekenkamer toe. "Ik ga met u mee," fluisterde de lijfarts, "het kan ieder moment afgelopen zijn." De sultan lag met gesloten ogen en ademde zwaar. Zijn wangen waren ingevallen en op het damasten laken lag een diamanten ring, die hem van de vinger de vinger was gegleden. "Hoogheid," fluisterde de tuinman en hij hield de ranke tulp voor het gelaat van zijn vorst. De sultan opende de ogen en keek naar de tulp. Na een poosje sloot hij ze weer, maar hij glimlachte en begon zacht te praten. "De bloem uit de ui. Hoe groot is Allah's werk. Hoe klein is de mens. Mijn waarde dokter, haal een eenvoudige vaas en zet deze bloem naast mijn bed. Tuinman, mijn dank. En laat u beiden mij nu alleen. Ik wil wat rusten." De tuinman keerde terug naar de fakir die al precies wist wat er gebeurt was. "We zullen de handen uit de mouwen moeten steken, " sprak de fakir. "In de schuur liggen veertig zakken tulpenbollen. We zullen ze samen poten. Vóór zonsopgang moet het klaar zijn." Toen de koepels van de torens en minaretten door de eerste stralen van de ochtendzon werden verwarmd, klonk er rumoer uit het paleis. Als een lopend vuurtje verspreidde het nieuws zich onder de hofhouding: de sultan was opgestaan! Hij had zichzelf gewassen en was nu bezig zich aan te kleden. Op datzelfde moment stopte de fakir de laatste bol in de aarde. "We moeten ons haasten," zei hij. Hij liep naar het huisje van de tuinman en kwam even later terug met het bundeltje, dat hij bij zijn aankomst op zijn rug had gedragen. Voorzichtig maakte hij het bundeltje los. Voor zijn voeten ontrolde zich een veelkleurig tapijtje. De fakir nam erop plaats en keek afwachtend naar de kamer van de sultan.

Even later verscheen de sultan op het balkon. Hij genoot zichtbaar van de prille ochtendstond. Zijn ogen bleven rusten op de fakir, die zich op zijn tapijtje langzaam van de grond verhief, de fluit aan zijn mond zette en begon te spelen. Bij de eerste tonen kwam de gehele hofhouding van de sultan naar buiten. Niemand sprak. Wat daar gebeurde was nauwelijks te geloven. Terwijl de fakir, al fluitend, op zijn tapijtje over de gazons en de bloemperken zweefde, verschenen er honderden rode en gele puntjes boven de aarde. Ze werden groter en groter, totdat zich voor ieders ogen een zee van kleurige tulpen uitstrekte. Vlinder en bijen fladderden en zoemden op de bloemen toe om kennis te maken met hun nieuwe vrienden en de zon stond juist hoog genoeg om het hele schouwspel in een gouden gloed te zetten. Toen de tulpen hun kelken langzaam openden om de eerste zonnestralen op te vangen, gleed de fakir langs het balkon van de sultan, groette hem eerbiedig met beide handen voor het hoofd en zweefde toen met een wijde boog de hemel tegemoet, om achter het paleis uit het gezocht te verdwijnen. Nog diezelfde dag gaf de sultan opdracht om alle emirs uit het land op te trommelen; ook de emir van de tulpenbollen moest zo spoedig mogelijk teruggeroepen worden. Na veertien dagen was het paleis bevolkt door een bonte verzameling hoogwaardigheidsbekleders. De grote raadszaal was eigenlijk te klein voor zo'n uitgebreid gezelschap, maar toch had iedereen een plaatsje gevonden toen de sultan de vergadering opende. Hij sprak enkele inleidende woorden, rees daarna uit zijn zetel en liep op de emir van de tulpenbollen toe.

"Toen u mij de tulpenbol schonk, wist ik uw cadeau niet op waarde te schatten," sprak hij. "Er is intussen het een en ander gebeurd en ik ben tot inzicht gekomen dat ik u geen recht heb gedaan. U weet, ik heb helaas geen zoons. Ik benoem u bij deze tot mijn opvolger. Mogen Allah en al de hier aanwezigen getuige zijn van mijn belofte." Hij keek rond. "In de eetzaal zijn de tafels voor u gedekt. Begint u maar vast mijn vrienden. Ik voeg mij dadelijk bij u." Toen de emirs uit de raadszaal verdwenen waren gaf de sultan één van zijn dienaren opdracht, de tuinman uit de tuin te halen. En toen deze voor zijn meester stond aangetreden, zei de sultan: "U zult van nu af aan het toezicht houden op de grote tulpenkwekerij, die wij hier gaan aanleggen. Iedereen in mijn rijk zal zonder daarvoor te hoeven betalen, een zakje tulpenbollen uitgereikt krijgen. In ieders huis en in elke tuin moet men van deze bloem kunnen genieten." Daarna ging de sultan naar de eetzaal en voegde zich bij zijn raadsheer, de ministers en de emirs. Na afloop van de maaltijd tikte hij tegen zijn glas en hield een korte toespraak. "Van nu af aan zal ik van u, waarde emirs, geen geschenken meer ontvangen. Ik geef bij deze de opdracht op al mijn rijkdommen onder de armsten van het land te verdelen." "Alles?" riep een der emirs verbaasd uit. De sultan nam een slokje water. "Nu ja, bijna alles. Ik hoef zelf natuurlijk niet te verhongeren. Dat lijkt me overbodig." De emirs knikten instemmend. "En ten slotte," ging de sultan verder, "zullen het rijkswapen en de vlag worden veranderd. Van nu af aan zal de tulp het symbool worden van wijsheid en geluk. Ik wil morgen de eerste ontwerptekeningen zien!" En zo geschiedde. Het land Simarstan bestaat allang niet meer, maar er gaan verhalen over een bijna vergane vlag die nu nog ergens in een museum te zien zou zijn. een vlag met een vuurrode tulp tegen een blauwe hemel.

De Tuinman en de Fakir in de Efteling
Zoals in de inleiding al te lezen was... Wie kent de Fakir niet, of Vliegende Fakir, zoals dit sprookje in de volksmond genoemd wordt. De Fakir ligt aan het einde van de Sprookjesbosroute, na het Meisje met de Zwavelstokjes en voor de Chinese Nachtegaal. In 1958 werd dit sprookje in de Efteling geopend. In het sprookje word gesproken over een grote tuin met diverse planten en bloemen gesproken. In zekere zin zou je hierbij kunnen denken aan de Siertuin, die tegenover de Fakir lag. Lag, want in 1998 werd dat deel van het Sprookjesbos door de Reus en Klein Duimpje en Repelsteeltje ingenomen. Een jaar later kwam hier ook het paleis van de Chinese Nachtegaal bij.